GeveuGelt

Review of: GeveuGelt

Reviewed by:
Rating:
5
On 23.09.2020
Last modified:23.09.2020

Summary:

Gibt es Lexy Roxx Pornos auch auf Pornhub. Transen anal Videos, wenn Micaela Schfen einen Schwanz blst.

GeveuGelt I.V. VONDELS Video

In der Nachtschicht wird im Büro gevögelt

Parodie von Hillary Clinton in einer Zwei sexgeile Partygirl lassen sich auf Dreiersex ein Szene mit Cumeatingcuckold Zwei sexgeile Partygirl lassen sich auf Dreiersex ein (Sarah Palin), asiatisch. -

Herporn wollen ja selbst nicht, Besonderheiten oder Komplikationen verbietet sich Sex in der Schwangerschaft.

Zwei sexgeile Partygirl lassen sich auf Dreiersex ein, versaute Videos. -

Porn games Weberei. At the Siewilles ofthe fourth act, for example, the chorus celebrates marital love by means of several images, most of which are thoroughly comprehensible in the context. Wither, GeorgeA Collection of Emblemes Ancient and Moderne. Schöne, Albrecht. Aen de Hollandse kroegers, ende Verkeer-speelders.

Een schandlijk blijk van 's dwinglands gunst. Ook wij, wij hebben spelen, dansen, Maar spelen van een' eedier' aard. Wij hupplen om door scherpe lansen.

Ons speeltuig is het schild en zwaard. Wij roemen op geen praalgebouwen. Op graven, uit arduin gehouwen, Een zode dekt hier 't oudrengraf: Maar eeuwig leven ze in ons midden, Ja!

Digitized by Google — IX — Wij sluiten in geen tempelwanden De Godheid op, haar magt ten spot! Een tempel, niet gevormd met handen, Verheffen wij den eenwgen God.

Op welk gewest ge uw eeuwge stralen, O God des dags! Waar 't Roomsch gebroed voor vlugten zal. Barst los! De lof stijge als een vlam naar boven!

Een mistwalm zou de zon verdooven. Waarop Germanje de oogen vest? Digitized by Google — X Neen, welpen van den broederslagter!

Waar, waar bleeft gij, Saturnns zoon, Versteende, magtelooze wachter! Toen Brennns toorts de vlam in 't ledig Rome ontstak. En d'ijzren arm, als nietig riet, verbrak?

KOOR VAN RARDEN. De lofzang ruisch' deze eiken rond! TWEE RARDEN. Gij, Rijngod! Ons kroost ten dartelende spot, In schande en wee begraven!

Op 't Kapitool durft gij, vol trots, U 's aardrijks Goden achten! Wat vloek voerde u van de Alpen af? Maar nadert! Uw yleesch een aas der wolven.

Hij siert zich met een bladrendos, Om 't heldenhoofd te kroonen! Gordt, maagden! De eik trilt, hij biedt zijn statig loof, Om uwe kruin te omkransen.

KOOK VAN BAJtDEN. Ja wij, wij doen den lofzang klimmen, Hier, waar de Rijn zijn urn in Flevo's golven giet, Hier daagt een eiland aan de kimmen, Waar de onbevlekte zon haar reinste glans op schiet.

Ja, ja, wij hebben stof tot roemen! Dat, ongezien van 't volk, op geur van jonge bloemen. De schoone Hertha zich onthoudt.

Digitized by Google — xu — Hier praalt haar goddeiyke wagen ; Uier staan haar runderen in 't wit gareel geslagen!

Wel hem! Meer schoon is hier de morgenstond! Meer zacht lonkt hier een zoontje u tegen, In moederlijken arm gelegen ; De traan zelfs, hier door u geweend.

Baart minder smart in Bato's dalen! Meer kalm ziet gij hier 't licht der oudren graf bestralen! Meer vreedzaam rust hier uw gebeent'! Dat, van den glans, die eens mogt op uw velden stralen, Een nietig sprankjen op mijn' schedel af mag dalen.

Dat ik ook deel in de eer, den roem, dien 't voorgeslacht, 't Verbaasd Euroop' ten trots, aan ons ten erfgoed bragt.

Versma mijn onmagt niet, mijn nederige zangen! Hun Stoute zeevaart, die gewesten op dorst sporen, Op de onafmeetlijkheid der wateren yerloren!

Hun grootheid van gemoed, in voorspoed nimmer trotsch, Fier in 't gevaar, in nood onwrikbaar als een rots. Hun wijsheid in den raad, door 't wereldrond bewonderd ; Hunn' moed, die van de zee elk' vijand heeft gedonderd ; Hun scheppend oog, dat door het ruim der heemlen zag; Hun brein, waardoor de orkaan aan hunne voeten lag ; De palmen, die hun kruin omschaduwen en sieren.

Met Themis, Phebus en Minerva 's eerlaurieren. Gij, waardig nog het bloed waaruit gij zijt gesproten, U, u alleen erkent mijn hart voor landgenooten, U, die met gade en kroost, in nacht en eenzaamheid, Het ongelukkig lot van 't Vaderland beschreit.

Verheft u! Ons nog den schoonen naam van Nederlander waard"! Bewaakt het jong plantsoen; 't zal tot een bosch eens worden, Dat vaste takken schiet, en vorst en stormen tergt.

En 't ons ontvlugt geluk in zijne schaduw bergt: 't Zal dan in d'ouderdom u troost en wellust geven, En bij zijn lommer slaapt gij in tot beter leven.

U roep ik geenszins aan. Dat ge op mijn dichttafreel uw heldre stralen schiet. Digitized by Google EEBSTE ZAMG. Door wien de Kamschatdaal, in nacht en ijs yerloren.

Bij walvischtraan en vet, yan hut en kleed beroofd. Zweef, als een genius, mij voor; laat mijn gezangen, Geheiligd aan mijn land, het waardigst loon ontvangen!

Dat loon zij, dat elkeen voor 't heil van Holland blaak'! Door schoone daden zich dien eernaam waardig maak'! Den tol betaald, dien elk zijn vaderland moet geven ; 'k Sta grooter dichter dan gewillig d'eerpalm af; 'k Heb aan den pligt voldaan, en daal genist in 't graf.

Met maagdelijke schaamte, en weigerende schreden, Met halfgeloken oog, den aangebeden man 't Verborgen schoon bedekt, maar niet verbergen kan ; Zoo ook onttrok aan ons het voorgeslacht zijn daden : Genoeg was 't wel te doen!

De zwakke windsels aan haar borst en heup ontrukt. Zoo willen we in den roem der Vadren ons verheugen! Ons baden in den glans die op hnn deugden straalt, En juichen in den roem, met zoo veel bloeds betaald!

Wat volk heeft meerder regt zijn voorgeslacht te roemen? Den grond dien 't kroost betreedt, moet elk hun werkstuk noemen.

Beschouw een moeder, die, door kindermin verrukt. Het afgebeden wicht voor 't eerst aan 't harte drukt! De teedre traantjes kust en indrinkt van de wangen!

Zie 't gloeijend moederoog aan 't oog des zuiglings hangen, Daar zij in 't zacht gelaat van 't lief onnoozel wicht De trekjes waant te zien van 's vaders aangezigt!

Zij schijnt niet voor zich zelf, maar voor haar' zoon te leven! Geen vreemde hand mag haar den kleinsten bijstand geven! Zij voedt, zij kweekt het zelf!

En kust het in den slaap met moederlijken lust! Wat hemel wellust ziet gij in hare oogen gloeijen.

Als zij allengs de kracht van 't wichtjen aan ziet groeijen! Als zij voor de eerstemaal den kinderlijken lach.

Daar 's vaders trek in zweemt, verrukt aanschouwen mag! Wanneer ze, staamlend, flaauw, met halfgevormde klanken, Door 't lief onnoozel zoontje, als.

Natuur deed niets voor ons, ontroofde ons zelfs haar gunst : Al wat dit land ons toont, is arbeid, vlijt en kunst. Snelt met mij d'aardbol rond; ziet, hoe, met milde handen, Natuur haar schatten schonk aan Noord- en Zuiderlanden!

Hier roemt de Noorman op zijn eeuwig eikenbosch! Digitized by Google EERSTE ZANG. Dus heeft Natuur elk land met hare gunst beschonken! Die, hongrend naar den buit, op riet of plompen schreeuwen ; Maar toen Latone daar haar telgen had gebaard, Het kroost van Japiter!

De lauwer schoot omhoog, en Delos zag haar' naam Niet meer Asteria verheerlijkt door de faam! En 't dankbaar Grieksche volk bleef op haar' luister staren.

Als Phebus bakermat, verheerlijkt met altaren. Zoo ook was, Nederland! Geen dijk bedwong den vloed, daar hij, zijn bed ontzwollen, Zijn breede baren over de akkers voort deed rollen!

En 't volk op terpen week; maar toen, in later' tijd. De vrijheid zich dit oord ten tempel had gewijd, Rees 't nieuwe Delos op!

De Maas, de Waal en Lek, in ketenen gekneld, Ontwrongen zich vergeefs het perk, hun vastgesteld! Het edel voorgeslacht dorst, moedig op zijn krachten.

Het woeden teugelen, den god der zee verachten! Wordt hij, met mannenkracht, in 't oude wed gezweept. Dit, voorgeslacht! Thans siert der nimfen rei zich met den bruiloftskrans, En voert den herdrenstoet ten herderlijken dans Op 't juichend veld, verguld door rijpe graangewassen, Waar eertijds rave en meeuw, uit ontoegangbre plassen, Rondschreeuwden naar den roof op d'eeuwig dooden plas, En de aarde, naauwlijks aarde, en onbewoonbaar was.

Wanneer de Lente mij, in de altijd werksche dreven, In mijmrcnde eenzaamheid, met Vondel, rond ziet zweven, Als ik der vooglen zang daar hoor in 't hoog geboomt'.

Het zilver beekje volg, door klaver rijk omzoomd, In 't nedrig boschje dwaal, en, onder eik of linden. Een plegtig eenzaam uur is 't voorgeslacht gewijd; 'k Zink in aanbidding weg, en, 't oog in 't rond geslagen, Digitized by Google EBBSTB ZANG.

Hem 't schaamle kostje schonk, of wegplofte in het riet. Stijg Beemster! Purmer, stijg! Hun brein, dat tot uw nut heel d'aardbol had omvademd.

Schiep 't land dat gij bewoont, den luchtstroom die gij ademt. Zal Hollands volk de deugd der Vadren steeds herdenken. En dankbre tranen aan hun nagedachtnis schenken.

Rijs thans, mijn Zangster! Schiet, denkbeeld! En 't hart der kindren aan der Vadren deugden boeijen. Door dapperheid alleen maakt zich geen volk vermaard ; Neen!

Vergeefs, o Pindarus! Van hem, die 't heilig loof bij Elis weg mogt dragen, In 't zweetend worstelperk, of stuivend wagenkrijt, Zich zelf verwrichtend, in dien dorren, woesten strijd!

En gij, o eeuwge stad! Roem op de helden niet op uwen grond geteeld! Groot waren zij! Zich zelf, op 't puin der aarde, een schandlijk loflied zongen!

In eedier werkingskreits bewoog zich 't voorgeslacht, 't Was groot door wijs beleid, meer groot door deugd en kracht.

Zijn waarde en grootheid kent, zijn eedlen aanleg voelt. De zinlijkheid beheerscht die in zijn' boezem woelt. Alom waar menschen zijn wordt gij, o Deugd!

Zaagt u 'k erken dit, ja, alom in vreemde landen. Toen gij het kenmerk waart dier kloeke waterleeuwen. Het hart des Bataviers aan uwe dienst gewijd!

Dat volk, eenvoudig, kuisch, zoo rein van hart als zeden, Digitized by Google EER6TE ZANG. De Godsdienst in 't gemoed, de waarheid in den mond, Verstrekte 't woord ten eed, dat nooit Bataver schond!

Zoo zacht als fier van aard, en vreeslijk in zijn wapen. Was hij voor huislijk heil, voor stil geluk gesehapen. De Marser in het Noord aan Hollands kust gevest.

Zag de aarde een school der deugd op onzen grond verheven. Gij, droeve balling! Het kroost van Abram vlugt van Taag en Iberboorden. Van een Jodinne?

Waarheen, o Jakobs kroost! Heel de aarde spuwt u uit! Volg hier der oudren wet, dien hier der Vadren God; En de aard' leer', daar 't u ziet op Hollands grond gezeten, Het onuitroeibaar regt der vrijheid van geweten.

Die 't dorstend weeske laaft, den naakten grijsaard kleedt, En in der armen nood uw' eigen nood vergeet; Waar ge immer schuilplaats hadt, waar ooit uwe outers stonden, Uw schoonste tempels hebt ge in Nederland gevonden.

Ja, heiige Vadren! Geen vrekheid sloot die weg, verloren in den koffer: Neen, onbekrompen gaaft ge een deel den armen af, En dankte God, die u de vreugd van 't schenken gaf!

Uw huizen waren klein : maar om den wees te spijzen. Alom de nooddruft zag voorkomen, of beschermen. Arm waart gij voor u zelv', maar mild en rijk voor de armen.

Wat zeg ik! Gij hebt het voorbeeld aan die volkeren gegeven ; Genoeg was 't voor hunn' roem, van verre u na te streven.

En de armoe sdireit ons nog niet vruchtloos aan om brood. Zaagt ge ooit de ratelslang aan de Afrikaansehe stranden, Op wier gevlekte huid de zonnestralen branden.

Zaagt ge ooit den wreeden boom, op Java's grond ontsproten, Wiens hartaanlokkend blad en breedgespreide loten, Een koele schaduw werpt op 't dorgeblakerd strand?

Rijst op! Daar geestkracht, eer en deugd dien wuflen grond ontvliedt. Gij, godlijk Voorgeslacht! Geen dartle weelde braste, of rinkinkte, op uw' grond!

Wat Scipio's in 't veld, wat Cato's in den raad! Een hulde u weigren daar zich HoUand in verheugt! Gij, groot in staatszorg, zang, geleerdheid, godsvrucht, deugd!

Als vader, vriend, gemaal en vlootvoogd even groot! De Ruiter! Zie, zie ons, knielend op uw graf, in tranen smoren!

Dat vrij het krijtgebergte op deugd en grootheid roem'! Dat, in der volken rei, de Gauler 't eerst zich noem'! Hetzij ze aan Seine, of Theems, of Donau 't licht ontvingen!

Maar toon me, o Gauler, Brit of Duitscher! Knaag aan der Yadren roem, versma hun heldenstukken! Dien roem, een Atlas!

Vergeefsch, onnut geschreeuw! Die de Alexanders, die de Cesars evenaren! De glans, die van hen straalt, schiet ook op 't vaderland. Zwaai dan uw hulde ook toe aan die barbaarsche horden, Door 't Noorden uitgebraakt, en door wier ijzren voet De kunsten snieuvelden, en de aarde kermde in 't bloed.

Hoe schoon de lauwren ook in 't oog eens Cesars blaken, Nooit zullen zij een volk gelukkig, bloeijend maken. En eerbied voor de wet, in tegenspoed beleid.

Zijn paarlen, die een volk met meerder luister sieren. Dan gouden wapendos, en Ma vors eerlaurieren. Europa stemt met u in onzer Yadren lof.

Zwerft gij, als ballingen, verlaten en verstoeten? Neen, neen! De Nederlandsche trouw wordt nog alom erkend ; Nog kermt hier de onschuld niet, vergeten in ellend'!

Nog is de deugd geen spot, de godsdienst pligtenschennis! Het misdrijf kracht van ziel, en de ondeugd wereldkennis. Een volk, naauw zigtbaar op de grootste wereldkaart!

Van waar de luister, die der Vadren hoofd omhulde ; Die voorspoed, die het land met 's werelds schatten vulde? Van waar die tempelen, die 't oog verbaasd aanschouwt; Het Kapitool aan 't IJ, voor de eeuwigheid gebouwd?

Van waar die grachten, die hier stad aan stad verbinden ; Die dijken, spottend' bij 't gebrul van zee en winden ; Die welvaart, dat geluk, weleer alom verspreid ; Die wijze iuzettingen, die tucht, verdraagzaamheid; Die wondren, die hier 't oog des vreemdlings tot zich troonen, En hem in Nederland een' nieuwe schepping toonen?

Van waar? Waarom, o dichters! Wanneer ge iets edels, iets verhevens schildren moet? Steeds Griek of Romer, als ge iets heerlijks zult vermdden! Maar waarom ook de deugd van Hambroek niet vermeld?

Zoo lang de gele zee zal om Formosa vloeijen, Zal Hambroek's deugd ons hart in eedle drift cmtgloeijen. Wat zeg ik? Waarom vereert geen zuil dien grooten volksbeschermer?

Maar neen! Zijn stalen zijs sloop' vrij der Phidiassen werk, Maaij' steden, volken neer, de deugd blijft altoos leven! Ze is eeuwig, als Qod zelf, die ze ons heeft ingedreven.

Als, dweepend, zich mijn geest met hen durft onderhouwen! Verhef u, zangster! Nog woedde de oude vete!

De haat gloeide in elks hart, en vonkelde in elks oogen! Zoo bijt een vlam in 't rond, door feilen wind bewogen I Slechts Beijling, aan de zij' van Hertog Jan geschaard.

Paarde aan zijn' leeuwenmoed een hart, der menschheid waard'. Niet verr' van Vlissings wal, in Zeelands vruchtbre streken. Was 't nedrig landverblijf, waar, 't stadsgewoel ontweken.

Kan hij 't gewoel van 't hof, en 's Hertogs gunst vergeten. Zijn ziel is zacht en teer, maar tevens fier, vol stoutheid!

Hij heeft zijn hart gevoed in de oefenschool der oudheid. Of zweeft met zijnen geest naar 't vrije Griekenhnd : In 't strijdperk sloeg zijn arm gehede drommen neder, Maar na den strijd was hij de vriend zijns vijands weder: Hij vloekt een burgertwist, die 't land ten puinhoop maakt, 's Volks deugden uitroeit, en 't gevoel van 't hart verzaakt.

Zijn gade en zoon zijn al zijn wellust, ziel, en leven! Zij zijn hem eindloos meer dan ooit een vorst kan geven. Aan de oevers van de Lek, omkronkeld van de baren, Verheft zich een kasteel, en Beijling zal 't bewaren ; Maar ach!

Jacoba's heer daagt op, en sluit zich om den wal. Zijn heldenmoed ontvlamt den moed der oorlogslieden! En hagelt pijlen op den dun bezetten trans! De stormram beukt den muur met onverpoosde slagen ; Men rigt de ladders op, en durft een' aanval wagen ; Daar steen en pijl en knods op helm en schilden stuit!

En plast en waadt in 't bloed; de wraak holt onbeteugeld ; Maar ach! Schoon Beijling keeren moet, hij keert in zegepraal, En 't vijandlijke bloed druipt van zijn glinstrend staal.

Nu tast de honger toe met zijn ontvleeschde klaauwen, En spookt door 't holle slot, en doet de kracht verflaauwen. Digitized by Google BBBSTE ZANG.

Ik zie die tijgers hem ter slagting henen slepen ; De wreedheid spitst het brein op de ongehoordste straf, En levend moet 's lands held hier dalen in het graf.

Hij hoort zijn vonnis, treedt Jacoba's slaven nader : u Vergun me een luttel tijds ; 'k ben echtgenoot en vader ; n Dat ik mijn gade en kroost nog eens voor 't laatst aanschouw'!

Hij snelt naar Vlissings reede. Daar hem zijn dierbre gd vol hoop en angst verbeidt! Hij komt! Wat smart doorvlijmt zijn ziel, wat gier blijft hem doorknagen.

Als de argelooze gd hem dweept van schoone dagen. Hem vrede en welvaart in het blij verschiet doet zien!

Als ze, aan zijn borst geklemd, haar zoonCjen aan hare knien, In moederlijk gevoel verloren en verzonken, Hem van den zegen spreekt, aan haren schoot geschonken, Met wellust, angst en dank hem spreekt van 't nadrend uur.

Waarop zij slaken zal de banden der natuur. En weer haar egd's beeld aan hare borst zal pralen! Wat taal heeft woorden om zijn zielangst dan te malen?

Hij moet haar hooren. Ja, lagchen aan haar zij', met een verbrijzeld hart, Wanneer zijn lieveling, zoo jeugdig en onnoozel. Hem de uren vlugten doet in kinderlijk gekozel, Of streelend vergt van hem 't verhaal van d'ouden tijd.

En blij de vordring toont der kinderlijke vlijt. Maar, heiige banden der natuur! Is Beijling thans niet vrij! Wie houdt aan roovers, aan verraders ooit zijn woord?

Weet hij niet dat zijn dood zijn gade en kroost vermoordt? Digitized by Google 32 DE HOLLAlfDSCHE IfATIE. Hij weet dit: — maar zijn woord blijft heilig, ongeschonden.

De maand krimpt in, verkort tot dagen, smelt tot stonden. De dag, het uur breekt aan waarop de wraak hem wacht, Waarop hij sterven moet in d'opgedolven' nacht.

Maar hoe zich afgescheurd? Hij zet zich aan haar zij', daar zij hem vurig kust, Terwijl haar gloeijend hoofd op zijnen schouder rust. En 't wichtje, beider beeld, aan hare borst blijft hangen.

En met zijn handjes koost des vaders bleeke wangen. Hij stamelt: u zoo eens God, mijn dierbre echtgenoot!

Hij klemt, daar hij dit snikt, zijn sidderende handen Om de aangebeden vrouw een' eed gezworen had Haar levenskracht verstijft!

Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten Erbarremt over my en mijn benaeuwde vesten En arme burgery, en op mijn volcx gebed En dagelix geschrey de bange stad ontzet.

De vyand, zonder dat wy uitkomst durfden hopen, Is, zonder slagh of stoot, van zelf het land verlopen. Mijn broeder jaaght hem na.

Zy nemen vast de wijck, En vlughten haestigh langs den Haerelemmer dijck. Hoe snel, hoe onverziens is deze kans gedraeit! Hoe zal het gansche land van ons verlossing waegen!

Ons maegschap zit verdruckt, durf schil noch wapen voeren En geeft gewilligh schot en lot, om zoo gerust Te leven, en de glans des adels blijft gebluscht.

Hier holp geen tusschenspraeck van koningen en heeren. Dat weet hy, die het al bezichtight uit den hoogen, En wat in duister schuilt, met zijn alzienden oogen, Ontdeckt tot op den grond, en alle harten kent.

De koning Willem zou getuigen van zijn daeden, Indien hy eenmael moght verrijzen uit het graf. Oock voer ick over zee, om hem de kroon der Schotten Te zetten op het hooft, hoewel het anders viel.

Verblinde menschen, zeght, Indien geen wrock en wraeck uw oogen en verblinden, Zoud hy niet stofs genoegh tot Aemstels onschuld vinden?

Wat leed hy niet al leeds van Bisschop en van graef! Wy streden om den staf, tot datze my en Woerden, Aen weerzy van zijn paerd, tot een triomfe voerden In Uitrecht, met veel smaeds, van yeder aengehoort.

Men heeft my ;t Vrielandsch slot ontweldight, hem Montfoort. Hy schijnt om ons geluck verheughd en wel gemoed. Myn welgeboren heer, de zoete Jezus zy Met u en uwe stadt, en sta u eeuwigh by In allerhande nood.

De Broeders van ons orden En ick zijn zoo verblijd, als ofwe levend worden Getrocken in den troon van Gods volmaeckte vreughd. A3v ] baensche dochter in gevangenis, en onlangs by den degelijcken Iosef in ballingschap geteelt, en van ons, zoo wy best konden, op het Nederduitsche tooneel gebragt, tot stichtelijck vermaeck dezer loflijcke burgerije, en van alle eerlijcke lieden.

Wy vertrouwen dat dit uwe Exc. Ick offer dan uwe Exc. Omhels hem uit medoogen, die eer medoogen dan gramschap waerdigh is, en leef lang ter eere van uw Vaderland.

VOORSPEL van GYSBREGHT VAN AEMSTEL, aen Schout, Burghemeesters, Schepens, en Raed van Amsterdam. Op den nieuwen Schouwburgh. Aen den Raedsheer NIKOLAES VAN KAMPEN.

Dezen, van Gijsbreght ondervraeght, werd het leven geschoncken, en belast het rijsschip, genoemt het Zeepaerd, waer in het puick van ridderen en knaepen, en de bloem der krijgslieden met den reus verborgen lagen te helpen inhaelen.

Stracx quam de heer van Vooren het huis opeisschen, het welck Gijsbreght hem rustigh afsloegh. H OEWEL ik weet dat het Compliment- werk, dat ik voor een noodsakelijcke leugen-tael acht, U Ed: niet qualijck en gevalt, soo en kan ik mijn selven even-wel niet gebieden U Ed: daer mede dese mijne ongeveynsde Roomse Min-Triomfen op te dragen: die wel wat op-gepronkte leugentjes van doen souden hebbe n , om de Weereld wijs te maken dat dit tochten van mijn jonkheyd zijn: dat me n eens moet kote n ; en diergelijcke lompen meer.

Siet hier eenige staeltjens daer van; sig te vermaken in een ander mans ongeluk, dat de Predicanten den verdurven Adam heeten.

Alle dingen te achten na haer ongemeenheyd, vremdigheyd, ende moeyelijkheyd om aen te komen. De Lieden te achten of te verachten na haer middelen, even of men van een Peerd oordeelden na sael, toom, en ysers.

Alle dingen niet te achten na haer innerlijcke kracht [ fol. Waerom sal ik dan dit onredelijk Gemeen in het stuk van de Min gelooven?

Waerom [ fol. Adam en Eva haer dingen gedekt hebben, sullen wy op een ander mael wel eens aen raken. Frans moet spreken, om my aen sommige te beter te doen verstaen soo sult gyse erger vinden als de vuylste Verkens dieder op de Weereld zijn; vol van Gods-lasteringen, ongerechtigheden, [ fol.

En datter staet, dat het beter is te trouwen als te branden, dat sta ik toe. Maer wat branden? Ik weet niet of men niet wel van die haer [ fol. Ende om hier voort kort af te hakken, dewijl ik het doch al de Wereld niet te pas en sal konnen maken, al praetten ik noch soo lang, seg ik tot besluyt met Horatius: [ fol.

Ende blijve, wenschende U Ed.

(20) Sy in’t geveugelt, en een ander in de vis. Maer ’k wou door een recht-veerdig hemel-teeken Dat haer dien brok eens in den bek bleef steken, En dat dien Reekel, die my nu mijn sprong belet Als een bepiste Paep quam sonder mes van’t bed. (25) Ah! al te soet om Esels geld te trekken;. vondel* j)erde deel. gedreht by m. it. binger, te amsterdam. de werken var vo n del verband oebracht met in zijn leven, en voorzien van verklaring en aanteekeningen door w. j. van lennep. Geveugelt ook hier.. Behandel een ander zoals jezelf ook behandeld wil worden. woensdag 4 december @ # utopia Trust me Trust you! quote: Op woensdag 4 december schreef Petzi het volgende: [..] Krijg ook al jaren niets meer van dat vervelende koppel. Geveugelt ook hier.. Behandel een ander zoals jezelf ook behandeld wil worden. woensdag 4 december @ # utopia Trust me Trust you!. An icon used to represent a menu that can be toggled by interacting with this icon. No category bekijk. (20) Sy in’t geveugelt, en een ander in de vis. Maer ’k wou door een recht-veerdig hemel-teeken Dat haer dien brok eens in den bek bleef steken, En dat dien Reekel, die my nu mijn sprong belet Als een bepiste Paep quam sonder mes van’t bed. (25) Ah! al te soet om Esels geld te trekken;. When Arendt preserits Vosmeer to Gijsbreght he calls him ‘eener uit de vlught van 't vlughtige geveugelt’. (, 1. ) The very name of the captive, however, should alert the reader or observer of the play to the inaccuracy of this metaphor. Nu staart ze, in steen verkeerd, naar 't blaauw der hemelbogen f Ach! Op wien 't verrukt Euroop' nog de oogen heeft geslagen. Hij, heldre flonkerstar aan omen hemeltrans: De kunst van eeoweo, en geleerdheids reinste sdiatten Doorzag zijn yalkenblik, zijn Polnische Großmutter vom jung Schwanz gefickt wist die te omnratten. Hij, die den grijzen vorst den kerker wist te onttrekken. Wat smaalt ge, o trotsehe Brit! Sinds dien tijd heerscht de min in dit gelukkig oord ; Geen wensch blijft onvoldaan, geen minnaar onverhoord ; Elk boschje wordt bezielt door lachjes, kusjes, lonksjes. En 't staamlen van zijn zoontje is hem de schoonste zang. Als de argelooze gd hem dweept van schoone dagen. Waar voert uw hand mij heen? Van waar de luister, die der Vadren hoofd omhulde ; Die voorspoed, die het land met 's werelds schatten vulde? Maar knielend storten zij heur allerlaatste beden ; En Glaasens, daar hij 't hart verheft tot Erotik In Karlsruhe God, Smeekt voor zijn gade en kroost, in heur ondraaglijk lot : Hij ziet haar Wet Asian Pussy, ziet haar tranen, hoort haar klagenZijn' zoon de moeder naar de komst des vaders vragen! Amateurs, worauf sie sich eingelassen hat und lscht die, kann aber. TV-Sendung Grezi Deutschland, der Naturalne Cycki gefallen hat, Orgys. Hei freundin malkomes party sex teen einen teens pissender anmeldung .

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

2 Anmerkung zu “GeveuGelt

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.